Voer een bedrag, inflatiepercentage en looptijd in en zie hoeveel je euro's in de toekomst nog waard zijn.
Reele koopkracht over opgegeven periode
—
Koopkrachtverlies
—
Benodigd nominaal bedrag
—
Jouw overzicht
Wordt direct bijgewerkt| Post | Bedrag |
|---|
Uitgewerkt voorbeeld: 10.000 euro bij 3 procent inflatie over 20 jaar
Stel: je hebt vandaag 10.000 euro. Het inflatiepercentage bedraagt gemiddeld 3 procent per jaar en je kijkt twintig jaar vooruit. De rekenmachine past de formule toe op elk van de drie uitvoerwaarden.
Reele koopkracht = 10.000 / (1,03)^20 = 10.000 / 1,8061 = 5.537 euro. Je huidige 10.000 euro hebben dan nog de koopkracht van 5.537 euro. Het koopkrachtverlies bedraagt 10.000 minus 5.537 = 4.463 euro. Om over twintig jaar dezelfde koopkracht te hebben als vandaag 10.000 euro, heb je nominaal 10.000 x (1,03)^20 = 10.000 x 1,8061 = 18.061 euro nodig.
| Jaar | Reele koopkracht | Benodigd nominaal bedrag |
|---|---|---|
| 5 | 8.626 euro | 11.593 euro |
| 10 | 7.441 euro | 13.439 euro |
| 20 | 5.537 euro | 18.061 euro |
| 30 | 4.120 euro | 24.273 euro |
Hoe werkt de berekening
De rekenmachine gebruikt drie formules die allemaal uitgaan van samengestelde krimp of groei. De reele koopkracht is het huidige bedrag gedeeld door (1 + inflatiepercentage) tot de macht aantal jaren. Het koopkrachtverlies is simpelweg het verschil tussen het ingevoerde bedrag en de reele koopkracht. Het benodigde nominale bedrag draait de formule om: het huidige bedrag vermenigvuldigd met (1 + inflatiepercentage) tot de macht aantal jaren. Alle drie de uitkomsten zijn zuivere wiskunde, zonder belasting of andere aftrekposten.
Veelgemaakte fouten bij inflatie berekenen
De meest voorkomende fout is denken dat een laag inflatiepercentage weinig uitmaakt. Twee procent per jaar lijkt onschuldig, maar over dertig jaar verliest een bedrag daardoor bijna 45 procent van zijn koopkracht. Een tweede fout is het verwarren van gemiddelde inflatie met puntinflatie: een jaar van 10 procent gevolgd door een jaar van 2 procent resulteert niet in 6 procent gemiddeld in termen van koopkracht, omdat het samengestelde effect asymmetrisch werkt. Een derde valkuil is het niet aanpassen van spaardoelen voor inflatie. Wie over twintig jaar 200.000 euro nodig heeft, moet bij 3 procent inflatie rekening houden met een nominaal doelbedrag van ruim 361.000 euro.
Inflatie in Nederland: context en CBS-cijfers
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent de Nederlandse inflatie via de consumentenprijsindex (CPI). Naast de CPI publiceert het CBS ook de geharmoniseerde CPI (HICP), die gebruikt wordt om Nederlandse inflatie te vergelijken met andere EU-landen. De Nederlandsche Bank en het CPB hanteren in hun langetermijnprognoses doorgaans een structurele inflatie van circa 2 procent, in lijn met het streefcijfer van de ECB. Voor concrete historische reeksen kun je het CBS Statline-portaal raadplegen. De rekenmachine op deze pagina hanteert een vast percentage: voor een realistischer beeld van variabele inflatie kun je meerdere scenario-berekeningen naast elkaar uitvoeren door het percentage steeds aan te passen.